De voorlaatste dag in Japan

Persoonlijk

Met nog één nacht voor de boeg leek het me een goed idee om wat attracties in de buurt van mijn hotel te bezoeken. En wat wou het toeval? In de schaduw van het APA Hotel & Resort Ryokogu Eki Tower en zichtbaar vanuit het venster van mijn kamer, ligt het Japanese Sword Museum. Woensdag zwaarddag! In een heel modern gebouw was op de bovenste verdieping één zaal ingericht met een fraaie collectie zwaarden en andere scherpe zaken.

Ik heb het eerder al over zwaarden en zwaardsmeedkunst gehad (Kyoto); wat ik hier leerde is dat nadat Japan de oorlog verloren had, de Amerikaanse bezettingsmacht zwaarden verbood en de ingeleverde zwaarden vernietigde. Dat deed zeer bij mensen die vonden dat zwaarden een intrinsieke waarde als kunstwerk bezaten en dus behouden moesten blijven als cultureel erfgoed. Na een petitie hierover kwamen de Amerikanen dus terug op hun eerdere verbod. Uiteindelijk heeft die move van een aantal voortrekkers (herdacht middels bustes en plaquettes bij de ingang) geleid tot een museum.
Goed gedaan heren, want het zijn echt kunstwerken. Helaas ligt het in beeld brengen van glimmend metaal achter reflecterend glas buiten mijn competentie, dus geen plaatjes van zwaarden. Wél eentje van een andere kunst die Japanners beheersen als geen ander volk: beton. Ik zou heel lang kunnen oreren over de verfijnde manier waarop men hier daarmee te werk gaat, maar misschien is dat niet erg interessant voor de meeste lezers van dit blog. Een plaatje dan maar: structuren. Links met glad plaatmateriaal als bekisting, rechts licht opgeruwde planken en met latjes-werk voorziene bekisting.

Volgende etappe, een wandeling van bijna een half uur verderop, was het Sumida Hokusai Museum, gewijd aan de fameuze kunstenaar die in deze buurt (Sumida) geboren werd en er zijn hele leven gewoond heeft. Op weg ernaartoe zag ik onder meer deze mooie pagode:

En ook deze interessante toepassing van asfalt op een trottoir: structuren! Alweer, en hoe slim: het reguliere deel is grof, zoals gestort asfalt van nature is, terwijl de oprit glad gemaakt is, waarschijnlijk gewalst. Ik kan daar echt blij van worden & vooral betreuren dat men in Nederland niet zo slim is.

Zeven jaar geleden was ik al in het Hokusai Museum geweest en eerlijk gezegd kan ik me niet goed herinneren wat er toen te zien was. Ik kon er dus blanco rondlopen en wat is mijn conclusie? Hokusai was een genie. Zoals dat door de experts benoemd wordt, een ‘once in a century genius’. Daar zijn er niet veel van, logischerwijs. En hoewel dit museum maar een fractie van zijn ‘output’ kan laten zien én laat zien, is dat al genoeg om je heel deemoedig te maken over de eigen creatieve prestaties. Misschien had ik beter kunnen doorwerken, zoals Hokusai deed. Hij werd negentig jaar oud en zei vlak voor zijn dood dat hij nog zeker 15 jaar nodig had om goed ‘genoeg’ te kunnen worden.

Met mijn negenenzestigste verjaardag in het verschiet zou ik ervoor kunnen kiezen alsnog de komende 21 jaar aan de slag te gaan — daar moet ik maar eens op gaan reflecteren…

Het volgende doel, deze woensdag, was (nog) niet de Tokyo Skytree, die vanuit de lokatie van het Hokusai Museum al zichtbaar was, maar een adresje wat dieper de wijk in: de gereedschapswinkel van meneer Inoue, nog eens een half uurtje wandelen verderop.

Je zou er bijna aan voorbij lopen en het ziet er ook wat onooglijk uit, maar deze winkel trekt liefhebbers van Japans houtbewerking-gereedschap uit de hele wereld. Luilekkerland!
Ik heb er iets van drie kwartier rondgehangen, Inoue-san sprak wat Engels, waardoor hij me wat kon uitleggen als ik vragen had, en ik moest me heel erg bedwingen om niet meer te kopen dan ik uiteindelijk deed.

Tot mijn verrassing kon ik gebruik maken van een TaxFree regeling, waardoor ik tien procent bespaarde. Niet gek, gezien het eindbedrag. Mijn aankopen werden door meneer Inoue, zijn vrouw en zijn schoondochter met veel aandacht ingepakt, zoals te zien op onderstaand snapshot. De zoon, want ja dit is een echt familiebedrijf, was bezig met andere klanten.

Met een behoorlijk zware canvassen tas (op de volgende foto hangt een identiek exemplaar in de etalage) schoof ik de toegangsdeuren achter me dicht, terwijl me uit vier monden goede wensen toegeroepen werden, en liep richting Skytree.

Het wordt een thema maar ook deze wandeling duurde rond een half uur. Misschien wat langer omdat ik af en toe iets zag dat een foto waard was (of niet, zou achteraf kunnen blijken). Deze ‘signage’ op een gebouw verwoordt exact wat ik vind van Artificial Intelligence:

Op weg ernaartoe kwam de Skytree vaak in beeld. De toren staat op een immens complex van winkels en weet ik veel aan andere faciliteiten.

Soms zie ik dingen waarbij mijn eerste reactie ‘WTF?’ is, zoals dit. Er is wel water in deze buurt, maar dit plasje met een ‘schip’ erin is geen natuurlijk water.

Tokyo Skytree dus. Een attractie in de top zoveel van Tokyo, wat me al snel duidelijk werd. Een kaartje kopen voor het observatieplatform? Ging ik dus niet doen, veel te druk. Wat ik wel ging doen: een hapje eten op de Korean Food Market. Ook best druk, maar er was plek en de ‘Fried Korean Chicken and Rice’ met een flesje ‘Korean Beer’ deden me goed.

Hierna heb ik nog een heel klein hoekje van het winkelcomplex bekeken en een beker ‘Coffee Latte’ gedronken op een haast onzichtbaar terras in de schaduw, waar ik weer iets typisch ontdekte. Only in Japan! Geen idee wat het was, maar het zag er gaaf uit, alsof Frank Gehry zich had laten omscholen tot landschapsarchitect.

Achter of onder dit gebeuren bevindt zich trouwens een station voor spoor en metro. Van daaruit ben ik een stukje met de metro de goede kant opgegaan en heb de laatste kilometer naar mijn hotel te voet gedaan (vandaag 10.383 stappen). Een deel van die kilometer was langs de Sumida River. Ik had de kade kunnen nemen, maar dat was in de volle zon. Derhalve dit laatste plaatje van de dag: in de schaduw van Metropolitan Expressway Route No. 6 Mukojima Line.

Het hotel waar ik verblijf heeft als policy dat elke drie dagen de huishoudelijke dienst zijn of haar werk doet en dan heb je weer een fris bed en de boel aan de kant. Dat was vandaag. Heel fijn. Kan ik erg van genieten.

Tot zover dit verslag van mijn voorlaatste dag in Tokyo én Japan. Morgen, donderdag de zeventiende, heb ik 28 nachten in Japan doorgebracht. Met de dagen voor en na heeft deze reis dan een maand geduurd. Als het lukt schrijf ik, terug in Nederland, nog wat over mijn indrukken in totaal. Maar eerst komt de terugreis. Donderdagavond vertrek vanaf Haneda Airport, om 22:05 uur. Wat betekent dat ik nog een hele dag gelegenheid heb om nog wat sightseeing of wat dan ook te doen. We zullen zien.

Met de metro naar het Metro Museum

Persoonlijk

Wat is er leuker dan een museum over treinen, trams of metro’s? Eentje waar die allemaal te zien zijn, waarschijnlijk. In Kyoto had ik zeven jaar geleden al het Railway Museum bezocht, nu, op dinsdag 15 april, ging ik dus naar het Metro Museum hier in Tokyo. De eerste metro waar ik instapte had het deel van de wagon bestemd voor kinderwagens en moeders/vaders aangekleed met… Miffy! (Oftewel Nijntje.) En ‘Dan’, het lichtelijk gehandicapte vriendje van Miffy (gekreukt oortje).

Het museum was — heel toepasselijk — gevestigd onder het talud van een metrolijn, die hier trouwens al even bovengronds verliep. Dat maakt niet uit want de definitie van een metro is dat–ie grotendeels ondergronds ligt, zo leerde ik hier in het museum. Een superleuk museum trouwens. Voor kinderen en ook grote kinderen zoals ik. Er stonden wat historische rijtuigen waar je ook in kon, er was het nodige aan geschiedenis en techniek te leren, er waren interactieve zaken waar je een bovengeleider kon bedienen, verkeersleider spelen, besturen simuleren, et cetera.

Onderstaande meneer, Hayakawa-san, heeft ervoor gezorgd dat eind jaren twintig van de vorige eeuw het eerste metro-traject in Tokyo gerealiseerd werd. Dat was gelijk zo populair dat er bij de ingangen wachtrijen van honderden meters ontstonden. In eerste instantie moest men een kaartje kopen (dat kostte 10 son, wat een tiende van een yen is — in die tijd kostte een portie soba een yen, dit voor het perspectief*), die dan bij het betreden van het perron gecontroleerd en geknipt werd door een metro-medewerker. Heel bewerkelijk en al snel werd de toegangstourniquet uitgevonden, of misschien niet uitgevonden, maar wel overal geïnstalleerd, waar je een muntje in kon werpen en dus vlot door kon.

Er komt heel wat kijken bij het bouwen van een metro-netwerk. Dat wordt allemaal uitgelegd en inzichtelijk gemaakt. Wat te denken van dit segment van een metrotunnel?

En dan zijn er nog de schaalmodellen en maquettes. Plus helemaal achterin het museum een soort photo-booth waar je zeker vijf minuten opdrachten te volgen had die uiteindelijk een download-link opleverden voor ‘grappige’ foto’s en video’s van jezelf met een passende achtergrondafbeelding. Van zowel foto’s als video’s was er eentje gratis. De overige vijf tegen betaling…

Leuke ervaring. En weer een museum afgevinkt. Vervolgens ging ik op pad richting Ueno, om een koffer te kopen. Een koffer? Ja, een koffer. Met wat ik verzameld had tijdens de laatste weken ging ik het niet redden om alles in de ouwe trouwe Rimowa Cabin Crew Case mee terug te krijgen. Tijdens de eerste periode in Tokyo had ik plenty winkels gezien in de omgeving van Ueno Station waar goedkope koffers verkocht werden. Een nieuwe Rimowa vond ik overdreven — ze zijn akelig duur geworden, of ik ben vergeten wat die van mij ooit gekost heeft.

Ik kwam uit Station Naka-okachimachi komend terecht in de omgeving die ik al een beetje kende. Toeristisch en druk. En met veel minder bagage-winkels dan gedacht. Waardoor ik de meeste straten met winkels en tentjes wel drie of vier keer doorgelopen ben.
Even wat brandstof inslaan, dan maar. Nu is het in zulke buurten heel gebruikelijk dat er mensen voor de eettentjes en winkels staan die proberen voorbijgangers naar binnen te praten. Bij mij lukt het een vlotte jonge vrouw om dat voor elkaar te krijgen. Kreeg ik geen spijt van. Het eten was prima: een salade omdat mijn ‘innards’ wel wat ballast-stoffen en vezels konden gebruiken na iets te vaak korstloze witbrood-sandwiches. Vervolgens wat gegrilde garnalen met een mayonaisedressing. En als afsluiter een schaaltje gebakken kimchi-rijst. Dit alles vergezeld van een biertje (dat leverde nog een grapje van de bediening op, namelijk de universele dat het nu ergens op de wereld wel tijd was voor eentje).
Toevallig las ik dezelfde avond in de Guardian dat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat eten in de volgorde groente, eiwitten, koolhydraten, gezondheidsvoordelen heeft, zoals een minder hoge bloedsuiker-piek. Had ik dus instinctief goed gedaan!

Inmiddels had ik nog steeds geen koffer gescoord. Ook werden de drukte en de warmte me te veel; ik zocht een park vlakbij op. Op weg ernaartoe werd ik heftig geconfronteerd met de uitwassen die het consumentisme opgeleverd heeft. Waar ligt de noodzaak voor het bestaan van honderden soorten sneakertjes en schoentjes? Waar is de mensheid eigenlijk mee bezig, behalve Moeder Aarde om zeep brengen?

Dit soort kwesties bleven maar door mijn hoofd spoken. Waarom, waarom, waarom? Eenmaal in het park moest ik er even bij gaan zitten om dat van me af te schudden.

Toen ik wat later weer een beetje tot rust gekomen was, vervolgde ik mijn weg dieper het park in. Bij een shrine werd ik aangesproken door een vrouw in een religieus ogende outfit. Zij gaf mij een goud-glimmend object en toen ik dit aannam pakte ze mijn handen beet en schoof een kralen-armband om mijn linkerpols. Ze vroeg of ik iets wou schrijven in een bloc dat ze bij zich had: naam, land, wens voor de mensheid en… een bedrag. Pas nu ging bij mij een lichtje branden: ik was erin getuind! Na mijn naam, land van herkomst en wens (‘More good people’ — iedereen voor mij had ‘Peace’ ingevuld, dus moest ik wel wat anders bedenken), schreef ik ‘1.000’ in de kolom die daarvoor bedoeld was. Nee, nee, dat kon niet! Ik werd streng toegesproken; het moest 2.000 zijn. Eigenhandig verbeterde ze het door van de 1 een 2 te maken en toen kon ik er natuurlijk niet onderuit en gaf haar twee biljetten van duizend Yen.
Op de een of andere manier had ik dit niet verwacht, zeker niet in Japan, dus was ik een tikje van mijn apropos door deze episode. Wat trouwens meer zegt over mij dan over het gebeurde. Wat is twaalf euro voor iemand die een veelvoud daarvan uitgegeven heeft om op deze plek te zijn? Weer iets om over na te denken… En voor deze dag eigenlijk teveel om over na te denken. Ik ging terug om een koffer te kopen.

Uiteindelijk is dat gelukt. Het verslag van hoe dat ging zal ik de lezer besparen; ik heb voornamelijk heel veel rondgelopen om een keuze te maken, terwijl dat achteraf gezien volkomen onzinnig was. Voor iets van 35 euro heb ik nu een koffer die goed genoeg is om de vuile was mee terug te brengen naar Nederland.
Nog steeds opgelaten door de gebeurtenissen van deze middag nam ik een metro terug naar het hotel, waar ik nog vrij lang daarover heb liggen piekeren, aleer ik tegen half twaalf in slaap viel, halverwege de film ‘Dumb Money’.

————
*] De prijs voor een trip met de metro ligt nu rond de 200 Yen, maar is afhankelijk van het aantal stations dat je reist. Een portie soba kost 1.000 à 2.000 Yen, waaruit we kunnen concluderen dat de kosten van met de metro reizen in Tokyo in bijna honderd tijd tijd nagenoeg gelijk zijn gebleven in relatie tot de koopkracht. Opmerkelijk! (Het kan zijn mijn berekeningen niet helemaal kloppen, dat overkomt me wel eens. Ik ben niet dyslectisch, maar een beetje dyscalculisch.)

Terug in Tokyo

Persoonlijk

Het fijne van een stad opnieuw bezoeken is dat je het eerder gemiste alsnog kunt doen. En dat was het plan deze maandag in Tokyo. Hoewel ik wat moeizaam op gang kwam (het was de avond ervoor laat geworden), zat ik rond elf uur alweer in een metro richting Roppongi, waar het National Art Center op me wachtte. In de metro was het zeldzaam rustig. Niet eerder had ik een hele bank onbezet gezien.

De wandeling van station Roppongi naar het museum had ik eerder al in tegengestelde richting gedaan. In de tunnel stonden nu nog meer auto’s, busjes en trucks met relaxende bestuurders (en passagiers!) dan eerder. En het museum was open. (Dat had ik nu wel eerst gecheckt!.)
Het is een waanzinnig gebouw. Ik denk dat de publiek ruimte erin ongeveer een derde van het totaal omvat. Geeft te denken omdat in ons land er zo’n strenge scheiding is tussen wat voor iedereen is en wat enkel voor de betalende bezoeker is. Nog afgezien van het feit dat echt beschaafde landen tenminste één dag in de week hun musea gratis openstellen — maar ja, calvinisten en kooplieden, wij Hollanders.

In eerste instantie had ik het niet door, maar in dit giga-gebouw waren meerdere expo’s en je moest voor de toegang van elk ervan betalen. Logisch. Minder logisch, maar achteraf heel verfrissend vind ik, is dat in het NAC ruimte was geboden aan een tentoonstelling van een soort sociëteit, of vereniging, van Japanse amateurkunstenaars, en nog wel de 84-ste editie ervan: Sogenkai. Ik ging er niet helemaal blanco in, maar was al snel gefascineerd door het werk. Er waren tientallen, zo niet honderden schilderijen te zien. Soms heel onbeholpen qua techniek en uitvoering, maar soms ook heel geraffineerd en absoluut professioneel. Ik heb best veel gefotografeerd en een paar plaatjes hier bij elkaar gezet.
Ten eerste eentje om een indruk te geven van de omvang.

En deze is grappig omdat-ie de schilder in een pose laat zien die toont wat schilderen kan betekenen voor iemand: je blootgeven, maar ook je afvragen hoe je dat gaat doen. Ook is dit op zijn manier een schilderij dat laat zien dat schilderen over verf en kleur gaat.

Deze is dan weer een voorbeeld van een werk dat vanuit een obsessieve benadering ontstaan is. Let wel: er zijn echte kippenveren in verwerkt.

Het schilderij hieronder is niet zozeer een ‘goed‘ schilderij, maar het onderwerp resoneerde bij mij: de Atomic Dome in Hiroshima. Ben ik geweest en dan heb je dat.

Naast deze expo was er nog een vergelijkbare met amateur aquarel-kunstenaars, maar die heb ik aan me voorbij laten gaan. Interessanter was ‘Living Modernity. Experiments in the Exceptional and Everyday’. Dat ging over architectuur aan de hand van zeven thema’s. Als tiener wou ik bouwkunde gaan studeren, dat is dus niet gebeurd, maar architectuur heeft me altijd geïnteresseerd. Veel van wat hier te zien was kende ik al, maar de manier waarop het werd gepresenteerd was. maakte dat ik er met een frisse blik naar keek. Helaas mocht veel niet gefotografeerd worden, dus dit stukje wordt vrij kort. Sorry.

Had ik al geschreven dat het een waanzinnig gebouw is? Het atrium is adembenemend. Er zijn meerder plekken waar je wat kunt eten en drinken, tot en met een Paul Bocuse-branded restaurant bovenin. Daar heb ik niet geluncht. Wel in de ‘kelder’: kip in roomsaus met witte rijst.
De museumshop was van hoog niveau. Weinig troep, veel moois.

Aanvankelijk was ik van plan nog een ander museum in de buurt te bezoeken, maar gezien het tijdstip was dat niet zo’n goede idee, dus zocht ik de metro op om richting Tokyo Station te gaan. Het museum had een eigen toegang tot het metrostation. De weg ernaartoe werd in de gaten gehouden door een robot.

Waarom Tokyo Station? Omdat daar een miffy style winkel is. Miffy is hoe Nijntje buiten NL genoemd wordt. En Miffy is BIG in Japan. Zie deze display.
Wat ik er te zoeken had? Geheim! Maar mission accomplished.
Nadien heb ik nog koffie gedronken in de zaak waar ik drie weken geleden ook was en ben teruggegaan naar APA Hotel & Resort Ryogoku Eki Tower, kamer 1131. Maar niet aleer ik in een Family Mart wat te drinken en te snaaien heb gekocht.
Op het moment dat ik dit verhaal probeer af te ronden is het half twaalf. That‘s It, Folks! Morgen is er weer een dag.

Tokyo is natter dan Nagano

Persoonlijk

No rest for the wicked, zo is toch de uitdrukking? (Nee, oorspronkelijk luidt het ‘No Peace for The Wicked’ en is uit het heilige boek.) Zou moeten zijn ‘No rest for the blogger on this journey through Japan’. Maar het is simpelweg een kwestie van volhouden, ook al is de motivatie niet optimaal.

We vervolgen de reis met wat de laatste verplaatsing zal zijn, aleer de terugreis aanvangt. Zondagochtend liep ik met de koffer en rugzak, nu gevuld met vooral wasgoed, want het eind aan schoons komt in zicht, door een druilerig Nagano naar het station. Feitelijk waren het maar een paar honderd meter en het regende nauwelijks, maar soms moet je de boel wat dramatischer maken.

Hier geen lange wachttijden bij de Ticket Office for Foreign Visitors, die trouwens ook Japanners bediende. De trein naar Tokyo vertrok om 10:14 en ik had ruim zitgelegenheid. Terzijde: naast een ticket ontvang je ook een betalingsbewijs, wat maar goed is ook, want het ticket wordt bij het verlaten van de bestemming ingeslikt door het poortje & kan niet als souvenir meegenomen worden. De eerste keer dat me dit overkwam was ik flabbergasted.

Aan de balie waar ik het treinkaartje kocht zei de baliemedewerker nog iets in de trant van dat ik ruimte zat had, want in mijn rijtje was ik de enige. Dat bleek niet zo te zijn, want op het laatste moment schoof deze man nog voor mij langs om de zitplaats aan het raam in bezit te nemen. Of hij simpelweg zelf een plek had gekozen? Ik denk het niet want gaande de rit komt er een soort conducteur langs die met een handheld device alles naloopt en waarschijnlijk ook checkt of de plekken die bezet horen te zijn dat ook zijn.

Maar laat ik mezelf niet verliezen in overpeinzingen omtrent het trein-gebeuren in Japan, hoe verlokkelijk dat ook moge zijn. Al snel, want het gaat heel snel, waren we in Tokyo, dat wil zeggen in de metropolis. Kijk nog even naar de foto van het ticket, dan zie je dat als bestemming ‘Tokyo Ward Area’ vermeld is — en dat is vrij logisch, omdat de trein er twee grote stations aandoet, Ueno en eindpunt Tokyo Station. Waar je uitstapt heeft te maken met waar je heen wilt. Transfer of verderop in Tokyo zelf. Voor mij was Ueno het handigst. Van daaruit kon ik met de Toei Oeno lijn naar Ryogoku en naar mijn hotel dat vlak bij het station ligt. Dit bleek het met afstand grootste hotel waar ik ooit verbleven heb:

Als eerder was het ritueel ‘bagage in bewaring geven en doorgaan…’. Mijn intentie was om wat te gaan shoppen. En met twee kleinkinderen lag het voor de hand een plek op te zoeken waar men speelgoed verkocht. En dan kom je al snel bij Toy Park terecht. Dat ligt aan een van de einden van Ginza, dé sjieke winkelstraat van Tokyo (zie eerdere blogs over Tokyo). Deze immense display was zo ongeveer het eerste wat ik tegenkwam toen ik uit de metro nar boven kwam, maar onnozel als ik ben, liep ik er aan voorbij. De Ginza bood namelijk, ondanks het regenachtige weer, een heel erg vreemde aanblik.

De straat was namelijk afgesloten voor verkeer en exclusief voor voetgangers. Voetgangers die dat blijkbaar niet helemaal vertrouwden, want de meesten beleven op de trottoirs. Ook wel logisch, gezien het feit dat daar de etalages beter te zien zijn.

Een plaatje tussendoor; dit zijn geen echte bloemen. Helaas, maar ook begrijpelijk omdat bloemen nu eenmaal een beperkte houdbaarheid hebben. Dan had men toch iets anders voor een groene wand kunnen gebruiken?

Na wat rondgebanjerd te hebben op de Ginza en aanpalende straten ben ik toch terecht gekomen in dat speelgoed-paradijs en ik moet zeggen dat zes verdiepingen met pluche beesten, actiefiguren, Lego, Lego-imitaties, racebanen en heel veel plastic shit, je echt verbaasd kunnen doen staan over de mate waarin wij mensen druk doende zijn om onze aardkloot te veranderen in een ellendige afvalberg.
Ik had er al snel genoeg van en bovendien had ik nog geen koffie gehad. In de buurt zag ik niks wat me aansprak, het was of een café met rokers (!) of een keten als Starbucks (en dat zouden we niet doen). De metro dan maar weer opgezocht. Ik was trouwens ook behoorlijk doorweekt geraakt.

Nu komt het: de plek waar ik uiteindelijk belandde was weer kilometers verderop. In Maps had mijn zoekopdracht ‘Specialty coffee’ een adres nabij Olympic Park opgeleverd. Het stuk met de metro was ok, simpelweg de goed kant op zonder over te stappen, maar het stuk lopen was niet zo jofel. Het bleef maar miezeren en ik voelde me steeds minder gemotiveerd om door te gaan. Tot ik in de buurt van de eindbestemming kwam. Vanuit het stadion aan het eind van de straat klonken spreekkoren, ondersteund door trommels, gejoel en gekreun van toeschouwers van wat ik aanneem een voetbalwedstrijd was.
Het was een rare gedachte dat vlakbij waar ik wandelde met een handvol andere mensen er een menigte bijeen was. Minder leuk was dat de zaak met de Specialty coffee me absoluut niet zinde. Ik heb er, terwijl ik in de wacht gezet was, iets van vijf minuten gestaan en ben toen gegaan. Richting metro-station in eerste instantie. En op de look out naar koffie, natuurlijk.

Ik weet niet waaraan het ligt, maar zo’n grootschalig project als een Olympic Park trekt altijd van die upscale etablissementen aan waar je geen jofel gevoel van krijgt. Wel leuk was dit volkomen absurde betonnen woonhuis dat ik tegenkwam. Dat moet in de de categorie ‘heel weinig vierkante meters’ vallen — let op de maat van de inpandige parkeerruimte. Dat er ruwe planken voor de bekisting gebruikt waren maakte het heel brutaal (let op hoe ik hier refereer aan een architectuurstijl).

Iets verderop vond ik een plek waar koffie te koop was. En nog erg goede ook. Geserveerd in een bierglas. Ik nam er een stukje cheesecake bij, die heel anders bleek te zijn dat verwacht; moeilijk te omschrijven, maar het was iets mokka-achtigs met een ondertoon van hazelnoot.
Afgezien van de kwaliteit van koffie en gebak was het fijn om even in de warme luchtstroom van de op hoge toeren draaiende verwarming bij te komen en onderwijl even op mijn iPhone te zien of er in de buurt iets museumigs was. En ja, luttel meters terug! Het Watari-Um Museum. Ik was er langs gelopen, maar dacht dat het een rare winkel was. Bleek het een raar museum te zijn. Met een volkomen onverwachte expositie. Werk van een Japanner die eind jaren 50 in Polen was gaan studeren aan de kunstacademie en er was uitgegroeid tot een vooraanstaande ‘Poolse’ kunstenaar. Het werk was behoorlijk conceptueel, maar sprak me wel aan. Het gebouw was sowieso opmerkelijk. Vanaf F1, waar je een kaartje kocht, ging je met de lift naar F2. Dan kon je via een trap buitenom naar F3 (kon ook met de lift), vanwaar je dan met de lift naar F4 moest. De plattegrond van het gebouw was een driehoek en van buiten zag het er uit alsof Aldo Rossi geen gekleurde stiften op zijn tekentafel had bij het ontwerpen (het is niet van Aldo, mind you!). Weer op F1 ben ik de winkel gaan bekijken. En afgedaald naar B1, de kelder dus. Een totale mindfuck aan boeken, posters en dingen die je een inblik vormden in het gedachtegoed van de persoon die dit bedacht had. Oef…

Dat was veel om te verwerken. En ik was niet alleen daardoor een beetje uit mijn doen, maar de nattigheid was door de schouders van mijn jasje gezakt en ik had geen puf meer. Terug naar het hotel dus, waar ik tegen vijf uur incheckte, mijn spullen naar kamer 1131 bracht en bij de inpandige (!) konbini wat te drinken en te eten kocht, om, na veel te lang wachten op de lift, weer op mijn kamer, na wat te hebben gegeten en gedronken, heel lang en warm te douchen. En om vervolgens, lekker in een fris bed de rest van mijn boek te lezen en tegen één uur in slaap te vallen.

Een Kissa in Nagano

Persoonlijk

Omdat het de avond ervoor vrij laat geworden was en ik er inmiddels wel achter ben dat af en toe rust nemen belangrijk is, deed ik dat ook: even wat rust pakken. Na echt uitgeslapen te hebben vertrok ik eind van de ochtend richting een opgeduikeld adres aan de andere kant van het station, een flink eind van het centrum, waar men zagen zou verkopen. Dat was tenminste de vertaling van de bedrijfsnaam. Voor ik de deur uitging nam ik deze foto van mijn uitzicht:

Om aan de andere kant van het station te komen was de kortste weg erdoorheen.

De wandeling was op deze zonnige zaterdag geen straf. Met mijn jasje over een arm gedrapeerd en een buitentemperatuur van een graad of negentien genoot ik van de zon en deed ik wat inmiddels gewoonte was geworden: rare dingen opmerken en documenteren. Zoals de decoratie van deze touringcar-bus.

Nagano was in 1998 locatie van de Winter Olymics. Daar zijn ze nog steeds trots op, want overal wordt daar middels posters, banners enz. aan herinnerd. De stad ligt tussen de bergen en dat levert dit soort doorkijkjes op:

De winkel die ik uiteindelijk met een beetje moeite vond had wel zagen en ander gereedschap, maar dus die welke met elektriciteit werken en niet het handgereedschap dat ik zocht. Helaas. Een ander doel dan maar aangevizierd, namelijk een café in een park op de weg terug richting station. Dat bleek niet mijn ding. Ik heb het even aangekeken, maar vertrok er al snel. Naar een volgend doel, waarover straks meer.

Even een observatie over iets heel anders: Japan moet wel het land zijn waar per hoofd van de bevolking het meeste beton gebruikt wordt. Beton zie je overal. En vaak is wat ermee gebouwd is opmerkelijk mooi. Zeker als het gaat om de kwaliteit ervan. Het is soms zo mooi glad dat je geneigd bent het te strelen. Op mijn route kwam ik dit gebouw tegen. De eerste foto is van wat ik aanneem de achterkant. De tweede van de voorzijde, een deel ervan. (Vriend P. — ik heb hier meer foto’s van!) Alles wat zichtbaar is aan detaillering en structuur is dus in de bekisting voorbereid. Super knap.

Intermezzo voorbij. Volgende doel bereikt: een Kissa. Dat is een traditionele koffie-zaak, waar twee dingen voorop staan: goede koffie en goede muziek — jazz vooral. Kissa bestaan al decennia, maar het aantal ervan in Japan slinkt snel. Ik denk doordat de eigenaren oud worden en het rendement nagenoeg nul zal zijn. Ik heb een mooi boekwerk van een in Japan wonende Canadees dat aan het fenomeen gewijd is. Dat ik trouwens nog niet gelezen heb, omdat het gebaseerd is op een serie blogs van hem, die ik wel gelezen heb. Dat terzijde.
Het exterieur van de Kissa was een hodgepodge van Japans en tja, wat? Imitatie vakwerk en iets Europees qua uitstraling?

Binnen had de tijd stil gestaan. Ik was plots terug in de jaren zeventig. Of misschien nog wel vroeger. Maar er werd hier op heel hoog niveau koffie gemaakt en geschonken, terwijl er zachte jazz klonk. Er was één andere gast, die zich geanimeerd onderhield met de jongeman achter de bar. Ik voelde me een beetje opgelaten, maar bestelde een koffie van single origin Costa Ricaanse bonen en een toast-schotel, die bleek te bestaan uit een dikke plak geroosterd brood, in tweeën gesneden, met een klein bakje jam van waarschijnlijk Red Beans. Het bereiden van de koffie duurde zeker tien minuten, maar was het wachten waard.
Op een gegeven moment probeerde ik een gesprek te beginnen door te vragen of dit nou een echte Kissa was (dat wist ik natuurlijk wel) & toen kwam de boel een beetje op gang, ondanks de gebruikelijke taalproblemen. Het gesprek ging dan wel niet diep, maar ik had het in elk geval geprobeerd.

Na deze ervaring die me lang zal heugen, wandelde ik verder. Wat later bleek ik me in de buurt van de straat naar de tempel van gisteren te bevinden en ik bedacht me dat ik daar een winkel had gezien waar spullen voor Japanse kalligrafie, Shu-do, verkocht wordt. Die kon ik ongetwijfeld terugvinden. En dat deed ik ook. Maar voordien zag ik nog een dansfeest van — ik denk— de Koreaanse gemeenschap, waar het er erg enthousiast aan toeging.
De betreffende winkel bevond zich op de begane grond. Op de verdieping werd design-meubilair verkocht, Herman Miller en dat soort merken. Een vreemde combinatie.

Hoewel op het schoolbord buiten stond dat men middels een vertaal-app ook buitenlandse klanten kon bedienen, bleek dat in de praktijk niet helemaal op te gaan. Maar communiceren is niet altijd afhankelijk van woorden. Uiteindelijk vertrok ik met een speciaal samengestelde basis-uitrusting van spullen: twee penselen, een onderlegger met hulplijnen waar je het (licht doorschijnende) papier oplegt, een gewicht voor op het papier, een inktblokje, een inktsteen en een matje om de penselen in te rollen. Heel blij mee.

Die ene plak toast met wat jam was het enige wat ik halverwege de middag gegeten had, dus ging ik op zoek naar iets substantieels. Onderweg dit geweldige neon-object gezien:

Na flink gedubd te hebben over wat te eten, kwam ik uiteindelijk terecht bij een Bar met Bed. Dat wil zeggen een hostel, genaamd Maze, waar een bar aan verbonden was. De lokker voor mij was dat ze er zes craft-bieren op tap hadden. Nummer 1 was een lokale IPA en die nam ik. En voor de trek een kleine pizza. Grappig was dat niet ik hier het initiatief nam om een gesprek te beginnen, maar een van de twee jonge vrouwen in de bediening. Ik denk vooral om haar Engels te oefenen, maar het was toch een leuke ervaring. Ze was op vakantie geweest naar Vietnam, vier dagen slechts, en we waren het er over eens dat vier dagen veel te kort was. Maar het was er wel heel goedkoop. Zo’n gesprek dus.

Na nog wat sightseeing ben ik eind van de middag naar kamer 518 gegaan, om op mijn MacBook Pro de zaterdagkrant te lezen en dit blog bij te werken. Morgen begint de laatste ‘verplaatsing’ van deze Japan-reis. Terug naar Tokyo.

Na drie weken eindelijk soba

Persoonlijk

Het was inmiddels alweer vrijdag 11 april en de volgende etappe begon. Na afscheid genomen te hebben van wat tot nu toe het fijnste hotel tijdens mijn reis was, ging ik welgemoed op pad naar het station van Kanazawa. Wat schetste mijn verbazing toen er aan het eind van de straat, recht tegenover de ingang van de markt, een bus stond waarop duidelijk stond vermeld dat de bestemming Kanazawa Station was. Een teken van de goden dat ik niet hoefde te lopen!
Vijf minuten later en twee stops verder en 210 Yen armer was ik er. De stationsomgeving is naar mijn idee behoorlijk nieuw. De Shinkansen-lijn van Tokyo naar Nagano is nog niet zo lang geleden doorgetrokken naar Kanazawa, waardoor het een bereikbare vakantiebestemming is geworden voor de inwoners van groter Tokyo, wat zeker van invloed zal zijn geweest op investeringen ter plekke. Je ziet aan het contrast tussen beplanting en bebouwing dat het vrij recent tot stand gekomen is.

Kunst in de openbare ruimte. Ik vind het mooi als het er is. Zeker als het met een beetje gevoel voor humor gedaan is, zoals hier. Daarbij vergeleken zijn twee hazenoren natuurlijk bagger.

Op het station wou ik me niet wagen aan het kopen van een treinkaartje bij de automaten (dat was in Tokyo geen succes geweest), dus nam ik plaats in de wachtrij van de Ticket Office. Iets van dertig nummers voor mij en het duurde bijna een half uur, maar toen had ik, tegen betaling van 9.120 Yen mijn reisbiljet voor de Kagayaki 528 inhanden. Die zou veertig minuten later om 11:49 vertrekken vanaf spoor 11.
Na een wandeling door het gigantische winkelcomplex in en aan het stationsgebouw, waarbij ik alvast wat inspiratie opdeed voor mijn geplande shopping spree in Tokyo, brachten mijn voeten en meerdere roltrappen mij naar de plek waar ik me moest opstellen voor rijtuig 7. Zitplaats 3E was daarin voor mij gereserveerd (de hele trein kende enkel gereserveerde plaatsen, in tegenstelling tot sommige andere treinen die een paar rijtuigen voor niet-gereserveerden hebben).

Natuurlijk vertrok de trein stipt op tijd en al snel zoefden we door een vrij mistig landschap. Mijn zonnebril bleef natuurlijk op, want ‘ervaren reiziger’.

Net zo stipt als het vertrek was de aankomst in Nagano, waar de lucht er een stuk opgeklaarder uitzag.

Het hotel dat ik geboekt had, New Nagano NeXT, bevond zich een paar honderd meter van het station. Ik bracht mijn bagage ernaartoe en ging op pad. Eerst om de omgeving een beetje te verkennen, zodat ik me later beter kon oriënteren, en vervolgens, na het raadplegen van de Maps app, richting een museum, het Nagano Prefectural Art Museum, in het kort NAM.
Op weg ernaartoe nam ik weer eens wat omwegen. En zag ik ook de mindere kant van het verder zo schone Japan.

NAM ligt een een flink groot park, Joyama Park, dat weer naast een joekel van een tempelcomplex ligt, Zenkoji Temple. Het is een vrij nieuw gebouw, heel ruim opgezet en akelig precies qua detaillering en afwerking. De expositie was vrij bescheiden van omvang en gericht op wat men de moderne Japanse kunst noemt, dus wat men begin vorige eeuw ging maken onder invloed van de Westerse kunst — impressionisme, expressionisme, dat soort dingen. Interessant om te zien wat men daarmee deed. Helaas mocht de kunst er niet gefotografeerd worden.

Naast het nieuwe gebouw, en daar verbonden middels een galerij, ligt de Higashimaya Kaii Gallery, dat geheel en al gewijd is aan de desbetreffende kunstenaar. Absoluut sfeervol werk. De man had heel veel gemaakt en omdat hij kinderloos was, veel nagelaten aan de stad Nagano, die een gebouw ervoor neerzette. Zo kan het dus ook, miskende artiesten van deze wereld! Maar er zaten absoluut mooie werken bij.
Weer helemaal vervuld met kunst-appreciatie bezocht ik het café van het museum — een heel kleine ruimte gelegen aan een immens terras. Daar dronk een lokale Weizen, die me heel goed smaakte.

Dat men hier het kunstgebeuren niet binnen hield, bleek buiten. Zo was er een fantastische stoom-waterval.

Wie alles gelezen heeft van de voorgaande weken, weet dat je in Japan struikelt over de tempels. Die naast het museum, Zenkoji, hoort bij de meest indrukwekkende van Japan, beslaat een flinke oppervlakte en heeft zelfs zijn eigen straat ernaartoe, waar op een soort pilaren een groot aantal gebeden staan, die je op weg naar de tempel allemaal dient te declameren om een of ander heilig doel te bereiken.

Heel imposant allemaal en het was er helemaal niet druk. Dat had ik wel anders meegemaakt. De weg ernaartoe was natuurlijk niet de weg die ik ernaartoe had genomen, dus ging ik die als weg terug behandelen, want ze voerde rechtstreeks (en dan bedoel ik echt kaarsrecht!) naar het station, dat een kilometer of zo verderop ligt. Het eerste deel bestond uit winkels met reli-spul, souvenirs en eten. Altij leuk om even in rond te snuffelen en te bekijken. En wie had ooit gedacht dat er softijs bestond met miso-smaak? En dat is nog lekker ook!

Verderop kreeg de straat een meer historisch karakter met typische gebouwen en een passende aankleding qua straatmeubilair. En je werd eraan herinnerd dat binnenkort de Nagano Marathon hier langs ging komen. Toevallig precies een week na die van Enschede, dat wil zeggen hier op 20 april.

Geen idee waar dit hierboven over gaat, maar ik maak gewoon veel snapshots… Okay, in het hotel aangekomen, heb ik na deze redelijk lange tocht wat uurtjes rust genomen en online uitgezocht waar ik in de buurt goede soba kon eten. Dat was er nog steeds niet van gekomen en zonder soba-experience kon ik niet terug naar vlees-aardappel-en-groente-land. Volgens Tripadvisor was het restaurantje dat ik die avond bezocht een goeie. Dat bord met 24 uur open hoort volgens mij bij iets anders.

Soba is een noedel gemaakt van boekweit (glutenvrij!). Het wordt meestal koud geserveerd en je dipt het dan in een saus of bouillon-achtige soep (meestal iets met miso), om het flink slurpend naar binnen te werken. Ik was daar niet zo goed in, want glibber en eetstokjes plus een onhandige Hollander, dat is recept voor geknoei… Awel, ik heb het allemaal wel naar binnengewerkt. Plus wat tempura en een saladetje. Erg lekker en trouwens belachelijk goedkoop. Met een flink glas sake erbij kostte het iets van 18 euro.

Blij omdat het eindelijk gebeurd was, en verzadigd, liep ik terug naar mijn hotel. Vrijdagavond zou wel eens een gemeenschappelijke factor kunnen zijn als het gaat om met de collega’s van het werk, of met vrienden (het een sluit het andere niet uit, denk ik), de hort op te gaan. In Japan in elk geval wel:

Met volgens de Health-app ruim twaalfduizend stappen op de teller gunde ik mijn voeten weer rust en heb ik op mijn hotelkamer nog wat tv gekeken en een biertje gedronken. Tegen één uur was het lampjes uit en oogjes dicht.