De echt allerbelangrijkste reden voor mij om Kobe op te nemen in het (overigens verder non-existente) reisplan is dat hier het Takenaka Carpentry Tools Museum is gevestigd. Dat staat al sinds ik over het bestaan ervan vernam heel hoog op mijn (overigens verder compleet lege) bucketlist.
Het museum ligt vlak bij station Shin-Kobe, waar de Shinkansen stopt, en dat is precies één halte per trein van het station het dichtst bij mijn hotel — vandaar dat ik er al vier minuten voor openingstijd was. Mooi dat ik als eerste een kaartje kocht en binnen was!

In het museum ligt, de naam zegt het al, de nadruk op werktuigen voor houtbewerking; vooral Japanse natuurlijk, maar er is ook een afdelinkje met westerse gereedschappen, waardoor ook duidelijk wordt waarin een en ander met elkaar verschilt.
In Japan was hout vanouds het materiaal om mee te bouwen; het land is immers grotendeels bebost. Er zijn werktuigen voor het bewerken van hout gevonden uit de steentijd, waarvan een aantal replica’s getoond worden. Wat betreft de verdere ontwikkeling was die in latere perioden vooral gebaseerd op voorbeelden uit China en Korea.


Het moment dat Japans gereedschap een wat andere vorm krijgt hangt samen met het invoeren van een verordening, rond 1870, die het dragen van zwaarden verbood. Zwaardsmeden gingen zich toen maar toeleggen op het maken van messen en ook schaafijzers, bijtels en zaagbladen. Door hun bestaande vakmanschap is het gereedschap naar een heel hoog niveau getild. In het museum wordt daar veel aandacht aan besteed, onder meer door profielen van vooraanstaande smeden en families van smeden. Heel interessant voor een gereedschapsfreak als ik.

Ik heb bijna 2,5 uur rondgekeken in dit niet erg grote museum en heel veel foto’s gemaakt, die ik de lezer zal besparen. Nog een paar, dan… Zoals deze hieronder. Dat is het gereedschap waarover een Japanse timmerman zo’n beetje de beschikking hoort te hebben, dus ook echt te hebben — als ik het me goed herinner iets van 189 items. Je ziet linksboven waar het begint met een adze en een bijl, dan naar rechts toe eerst zagen voor het grove werk, doorlopend naar zagen voor specifieke toepassingen en fijner werk. Vervolgens allerlei soorten beitels, met aan het eind rechts die welke voor grote houtconstructies gebruikt worden. Dan in het midden nog meer beitels, een paar schroevendraaiers, divers handgereedschap zoals catclaws, een knijptang, enz. De onderste rij van links, de langere objecten zijn reien en waterpassen. Dan mallen voor het aftekenen van hoeken, twee Sumitomo (inkthouders met een draad) met bamboe-pennen, twee Japanse timmermanshaken, aftekenblokjes, boren van verschillende types, waaronder een omslagboor, dan typisch Japanse handboortjes (je draait de houten schaft tussen je schuivende handen), hamers in verschillende gewichten en specifieke vormen, een houten klopper; vervolgens twee hamers waarvan ik niet weet waar die toe dienen, messen voor het bewerken van riet en ander materiaal en een plank die als werkblad dient met een pen die je in de bodem kunt slaan als stopper. En dan als laatste in deze toch al te uitgebreide uitleg: wat plat ligt zijn hoofdzakelijk schaven (ganna’s) en wat slijpstenen en helemaal rechts een handkrik.


Superinteressant & ik ben blij dat ik toch maar naar Kobe gegaan ben. Kobe is trouwens een beetje een buitenbeentje. Ik vind het rauwer en ook groezeliger dan de andere steden die ken in Japan. Het zal ermee te maken hebben dat het lang de grootste haven van Japan geweest is. De buurt waar mijn hotel ligt is het uitgaanscentrum & het stikt er van de clubs, eettentjes, massagesalons, bars, en nog meer aan hedonistisch-geöriënteerde etablissementen. Maar aangezien ik niet (meer) het uitgaanstype ben, kan ik hierover geen ervaringen inbrengen.
Verder met de dag. Het is nog steeds zondag en blijkbaar is dat ook de dag dat Japanse gezinnen en families erop uittrekken. Bijvoorbeeld om fijn te gaan picknicken onder een bloeiende boom. Kleed uitgespreid, schoenen uit, heel veel te eten mee, een tentje om kinderen en kouwelijken uit de wind te houden (en het was behoorlijk fris en winderig!) en je hebt een feestje. Ik heb er heel wat gezien op weg terug naar het hotel. Lopend, want dan zie je meer dan in een trein die vooral door tunnels rijdt.



Ook iets Japans: dat dingen zoveel mogelijk schattig en snoezig worden gemaakt. Kawai heet dat. Zoals deze afscheiding. Op zich is het niet gek om dit zo te doen, bedenk ik me nu. Je doet iets wat op zich niet leuk is — mensen de weg versperren — en door het leuk aan te kleden tover je misschien een glimlach op het gezicht van de versperde wandelaar en dat maakt het weer iets positiefs, want leuk. Zouden we in Nederland niet ook die kant op moeten?
Nog steeds op te terugweg werd het tijd voor een koffiemoment! Eerder had ik al een aardig tentje gezien en dat vond ik zowaar terug: Oslo Café. Prima pour over en een stukje matchacake met aardbeien.

Na een sanitaire stop op mijn hotelkamer en eventjes rust ging ik weer op pad. Ik nam dezelfde trein als in de ochtend, maar dan een halte de andere kant op. Vandaar was het nog een redelijk stuk lopen naar mijn volgende bestemming. En zoals dat bij mij gaat, kan ik me niet onttrekken aan het kijken en vastleggen van bijzondere gebouwen en architectuur.

Toen ik vlakbij mijn eindbestemming van het moment was, viel het me op dat er heel veel sportwagens op straat reden. Vooral Porsches. Ik zou later ontdekken waarom (tenminste, dat denk ik).

Doel bereikt! De landmark van Kobe, de Kobe Port Tower — gebouwd begin jaren 60, 108 meter hoog, met een observatorium op 90 meter hoogte. De vorm is gebaseerd op dat van een Japanse trommel, de Tsuzumi. Dat zegt tenminste Wikipedia.

In eerste instantie was ik bang dat ik lang in de rij zou moeten staan omdat er gewerkt wordt met time slots, wegens de beperkte capaciteit natuurlijk, maar ik was binnen een kwartier boven. En het was boven echt belachelijk fantastisch. Rondom keek je kilometers ver & er was legio te zien, want veel activiteit in de haven (de naam van de toren suggereerde het al, ze staat in de haven) en op de grond en op de straten. Mieren en dinkytoys.


Soms maak je een foto en ziet achteraf hoe goed die eigenlijk is. Zonder mezelf op de borst te willen kloppen, moet ik zeggen dat deze hierboven geniaal is. De reflectie in het glas, nog net een hand in beeld die een smartphone vasthoudt, het moment van het V-teken, alles klopt hieraan. Deze gaat thuis groot aan de muur!
Over dat V-teken: Kobe heeft zichzelf op een gegeven moment uitgeroepen tot atoomvrije stad en haven. Dat had als consequentie dat er vanaf dat moment geen Amerikaanse oorlogsschepen meer kwamen. Niet omdat ze atoom-aandrijving zouden hebben, maar omdat het topgeheim is of een schip atoomwapens aan boord heeft.
Voor dit initiatief was Kobe wel een belangrijke lig–, pleister– en aanmeerplaats voor de US Navy. Daarna kwam er geen Amerikaanse matroos meer, tenminste niet per schip. Zo gaat dat.


(Bijna vergeten om te vermelden: op de foto hierboven zie je aan de horizon een lange strook witte gebouwen. Dat is Osaka, badend in de zon.)
Nu komt er nog iets geks. Ik had geen drinken bij me en bezocht dus de bar, drie of vier verdiepingen onder het observatieplatform. Ik nam een biertje, want waarom niet? Bleek dat de buitenste ring van de bar ronddraait! In dertig minuten heb je, zittend, met een biertje, alles rondom gezien, als je tenminste zolang blijft zitten
Heb ik natuurlijk gedaan.

Toeristenattractie of niet, dus wel, maar ik vond het geweldig leuk. Ook fijn om echt te zien dat mijn ruim twintig jaar geleden gelaserde ogen het nog zo goed doen als het om de verte gaat. Zo had ik op een gegeven moment de top van mijn hotel in de smiezen.
Okay, prima dag tot nu toe. Tijd voor de volgende bezienswaardigheid. Chinatown.

Tja, wat moet je daarover vertellen? Chinatowns zijn overal op de wereld hetzelfde: grote toegangspoort, lampions, veel rood en geel. Heel veel eettentjes, streetfood dus. Goedkope kitch-souvenirs. En vooral ook heel veel mensen.
Vanwege een lichtknorrende maag heb ik waarachtig iets Chinees gegeten, en dat heb ik geweten. Het was een gestoomd broodje met een dikke plak heel lang gegaard (varkens) buikvlees. Bij het bestellen had ik niet gezien hoe dik de laag vet op die plak was & ik heb het niet zo op vet.

Met een ontknorde maag en een vol en vet gevoel ben ik vervolgens naar mijn hotel gelopen, om zuchtend en kreunend op mijn bed te gaan liggen, erop hopend dat ik snel voldoende uitgebuikt zou zijn om later die avond nog wat te gaan eten. Ging dus niet door. Nul honger en ook nul zin om weer op pad te gaan. En drie items op één dag afvinken is trouwens meer dan voldoende, toch?
PS De sportwagens. Vanuit de toren zag ik dat op een parkeerterrein ernaast een soort meetup was — ik vermoed — ’petrolheads‘. Er stonden heel veel sportwagens, verder nog tractoren, motoren en dat soort shit. Met natuurlijk de nodige bewonderaars eromheen. Af en toe reed er eentje weg, met luid ronkende motor. Dat kon je zelfs van 90 meter hoogte horen.